Geschiedenis samenvatting les 2

Het Europacentrisch begrip “ontdekkingen” in de context van ontmoeting met

 nieuwe gebieden en volkeren bracht imperiale overheersing met zich mee. De

 overheersing betekende een breuk in de ontwikkeling van de onderworpen volkeren.

 Naast commerciële redenen speelden ook andere redenen een rol.


1. Welke twee (2) ontwikkelingen zijn kenmerkend voor de fase van het imperialisme dat

 omstreeks de tweede helft van de 15e

eeuw begon?

 Kustgebieden in Afrika en Azië werden bezet / Handelsposten werden gevestigd en

 gunstige handelsvoorwaarden werden afgedwongen / Grote delen van Noord en

 Zuid-Amerika werden gekoloniseerd.


2. Noem twee (2) andere redenen dan de commerciële op, waarom de Europese

 mogendheden uitgingen op expansie.

 Demografische redenen / Politieke redenen / Culturele redenen / Godsdienstige

 redenen.


3. Leg uit waarom de klassieke politiek imperialisme theorie het imperialisme ziet als een

 machtspolitiek verschijnsel.

 Europese mogendheden veroverden gebieden met als doel hun invloed en macht uit te

 breiden over de wereld.


4. Geef aan hoe de invoering van de markteconomie in Europa negatief doorwerkte naar

 de overzeese gebieden.

 De Industriële revolutie( Industrialisatie) werkte een nieuw economisch systeem in de

 hand waarbij de drang naar grondstoffen, afzetgebieden en investeringsgebieden

 bijzonder groot was. De overzeese gebieden moesten en konden hierin voorzien.


In de overzeese gebieden troffen de imperiale grootmachten een grote variatie aan

 samenlevingsvormen aan, die allen hun eigen dynamiek hadden. Echter, het

 kolonialisme vervormde en vernietigde de samenlevingen en ontnam de

 onderworpen volkeren hun land, cultuur en waardigheid.


1. Noem één (1) economisch en één (1) sociaal gevolg op van het verderfelijk

 cultuurstelsel dat in Indonesië werd ingevoerd door de Nederlanders.

 Econ.: de inheemse handel en nijverheid werden vernietigd / de opkomst van

 ondernemingen buiten de landbouw werden belemmerd.

 Soc.: de Javanen hadden weinig tijd om hun eigen voedsel te verbouwen.


2. Waaruit blijkt dat de Indiase gebieden rond de 17e eeuw economisch beter ontwikkeld waren dan 

    vele Europese landen?

    De productie van luxe goederen / De export van dure goederen naar Europa.


3. Leg uit waarom vele agrarische volkeren in Afrika terugvielen op roofbouw of in een

 nomadisch bestaan, rond de 17e en 18e eeuw.

 Door de slavenhandel waren grote delen van het continent ontvolkt / Het productieve

 deel van de bevolking was voornamelijk meegenomen.


4. Wat was het doel van de koloniale instituties als de Repartimentos en het Ecomienda

 systeem die door de Spanjaarden werden ingevoerd in de Amerika’s?

 Controle krijgen op de inheemsen door hun arbeid uit te buiten en hun politieke en

 sociale structuur af te breken.


Afrika en postkoloniale bevoogding

Afrikanen zijn van mening dat de Fransen en Britten een neo-imperialistische politiek voeren en

slechts uit zijn op Afrikaanse grondstoffen. Het lijdt geen twijfel dat de Europese machten niet

puur uit menslievendheid in Afrika geïnteresseerd waren en zijn. Sterker nog, de voormalige

kolonisatoren probeerden hun “historische verantwoordelijkheid” te ontlopen. De relatie tussen

Europa en Afrika is beladen met emoties, die stammen uit de tijd dat de Europeanen “het zwarte

continent” veroverden, verdeelden en leegroofden, vanuit hun drang naar hebberigheid en

heerszucht.

De dekolonisatie van Afrika ten zuiden van de Sahara begon aan het eind van de Tweede

Wereldoorlog en rond de jaren 60 waren de meeste koloniën politiek-staatkundig onafhankelijk.

Eigenlijk dacht geen van de koloniserende machten rond 1945 eraan zich uit Afrika terug te

trekken. Frankrijk, bijvoorbeeld, wees in 1944 expliciet elke gedachte aan autonomie of aan de

mogelijkheid tot ontwikkeling buiten het Franse rijk, zelfs in de verre toekomst, van de hand.

De Fransen geloofden nog heilig in hun beschavingsmissie. Hun investeringen in onder andere

infrastructuur en onderwijs waren nooit zo groot geweest als in de eerste tien jaar na de Tweede

Wereldoorlog. Wel gaf het land zijn Afrikaanse koloniën beperkte politieke vrijheid. Zo kregen

de gebieden een vertegenwoordigend lichaam, dat deels was samengesteld op basis van een

beperkt kiesrecht voor de inheemse bevolking. Ook werd het aantal Afrikaanse afgevaardigden

in de Franse Nationale Vergadering uitgebreid.

Voor Groot-Brittannië daarentegen was het ondenkbaar dat inheemse vertegenwoordigers uit de

koloniën zitting namen in het eigen nationale parlement. De Britten hadden hun bezittingen

eeuwenlang bestuurd door gebruik te maken van lokale machthebbers. Maar na 1945 stonden

ook zij voor de taak om de mooie woorden over democratie en zelfbestuur, die tijdens de oorlog

veelvuldig waren gebezigd, waar te maken. Het oude systeem van indirect bestuur werd

losgelaten en er werden semi-democratische organen in het leven geroepen. Zij moesten een

schakel vormen tussen de lokale bevolking en het Britse bestuur. Door geleidelijk aan meer

politieke invloed toe te staan, hoopte Groot-Brittannië te voorkomen dat het inheemse

nationalisme in Afrika uit de hand zou lopen net als in Brits-Indië, dat kort na de oorlog voor het

imperium verloren ging. Het tegendeel bleek waar. In februari 1948 braken bloedige rellen uit in

de Goudkustkolonie onder leiding van Kwame Nkrumah. Na jaren van verzet besloten de

Britten in 1957 de macht over te dragen aan Nkrumah, die de onafhankelijke staat Ghana uitriep.

In de jaren die volgden, werd nagenoeg heel Brits-Afrika onafhankelijk.

Ook in de Franse gebieden hoopten nationalisten op een spoedige soevereiniteitsoverdracht.

Frankrijk stribbelde niet tegen, maar had zelf de leiding. Allereerst werden in 1957 de

staatkundige grenzen voor de toekomstige onafhankelijke landen getrokken. Koloniën kregen

hun eigen representatieve volksvertegenwoordiging en regering geleid door de Franse

gouverneur. De meeste nationalistische leiders stonden achter deze decentralisatie, behalve de

Senegalese voorman Leopold Senghor. Volgens hem waren de Fransen erop uit de Afrikaanse

krachten te versnipperen en tegen elkaar uit te spelen. In 1958 stelde de Franse president Charles

de Gaulle de koloniën voor de keuze: of de banden met Parijs radicaal verbreken, of

dekoloniseren op Franse voorwaarden. Het laatste hield in dat de nieuwe onafhankelijke landen

toetraden tot de Communauté Française, een statenbond onder Franse leiding. Wie koos voor

toetreding kon rekenen op verregaande economische, bestuurlijke en militaire steun. Alleen

Guinee koos voor een volledige breuk. Dat kwam het land duur te staan. Binnen een week

waren alle Franse functionarissen uit het land vertrokken, met medeneming van al hun

verplaatsbare eigendommen. Investeringen en hulpprogramma's werden onmiddellijk stopgezet.

Het land bleef reddeloos en onbestuurbaar achter. Geschrokken kozen de andere landen eieren

voor hun geld en schaarden zich onder de vleugels van Frankrijk.

Kortom, wie keurig in het gareel bleef van de Communauté of de door Groot-Brittannië

voorgezeten Commonwealth of Nations, kon rekenen op vele voordelen. Wie daarentegen de

Europese bevoogding afwees en uit de monetaire unie stapte, moest dat bekopen met

onmiddellijke economische tegenwerking. De praktijk wees uit dat het “oud” onderdrukkend

systeem snel werd vervangen door een “nieuw” subtieler systeem, het neokolonialisme.

Bron : Historisch Nieuwsblad nr.3/2004 (bewerkt)

Vragen bij de tekst

1. Van welke twee (2) neo-imperialistische zaken werden de Europeanen door de

 Afrikanen beschuldigd?

 De Britten en Fransen waren uit op grondstoffen / Ze probeerden hun historische

 verantwoordelijkheid te ontlopen.


2. Geef de periodisering aan van de dekolonisatie van de Afrikaanse landen.

 1945 (einde van WO II) tot de jaren 60.


3. Welke twee (2) politieke veranderingen heeft Frankrijk toegepast in zijn koloniale

 gebieden in Afrika?

 Politieke vertegenwoordiging op basis van een beperkt kiesrecht / Uitbreiding van het

 aantal Afrikaanse afgevaardigden in het Franse parlement.


4. Hoe was het bestuur in de Britse gebieden geregeld?

 Het bestuur lag in handen van lokale machthebbers.


5. Wat was het doel van de semi-democratische organen in de Britse koloniën?

 De semi-democratische organen moesten de schakel vormen tussen de lokale

 bevolking en het Britse bestuur.


6. Geef aan wat de achterliggende gedachte was van Groot- Brittannië met de invoering

 van semi-democratische organen.

 Het voorkomen dat het inheemse nationalisme uit de hand zou lopen net zoals in

 Brits-Indië.


7. Verklaar waarom de nationalist Senghor tegenstand bood tegen de Franse politieke

 hervormingen.

 Hij was van mening dat de Fransen erop uit waren de Afrikaanse krachten te

 versnipperen en tegen elkaar uit te spelen.


8. Noem één (1) gevolg op van de afwijzing van de Europese bevoogding voor de

 Afrikaanse staten.

 Economische tegenwerking.


Tekstgerelateerde vragen

1. Geef een omschrijving van het begrip neokolonialisme.

 Na de soevereiniteit van de voormalige koloniën nam de uitbuiting onder andere

 d.m.v multinationals, onderdrukking en machtsuitbreiding van de grote mogendheden

 andere (nieuwe) vormen aan.


2. Maak middels twee (2) voorbeelden duidelijk hoe het neokolonialisme op politiek

 gebied zich manifesteert in de voormalige koloniën.

 Het steunen van conservatieve regeringen / Het verlenen van materiële en

 immateriële diensten.


3. Wat is het meest bindende element die onafhankelijkheidsbewegingen hebben?

 Gekoloniseerd zijn / Het nationalistisch verzet.


4. Welke twee (2) aspecten spelen een rol bij het nationalisme in de koloniën?

 Staatsgrenzen / De maatschappijvorm die men wil vestigen.


5. Tijdens welke fase van het nationalisme begon het verzet tegen de koloniale heersers

 in de meeste koloniën?

 Fase 1 (vanaf het moment van de verovering).


6. Noem twee (2) redenen op die ten grondslag lagen aan het geringe resultaat van het

 verzet tijdens het vroege nationalisme.

 De beperkte aanhang / De slechte organisatiegraad van de nationalisten.


7. Leg de beïnvloeding uit van de kapitalistische middenklasse op de fase van het

 bourgeois nationalisme.

 De kapitalistische middenklasse voelde zich benadeeld ten op zichte van de blanken

 en wilde de situatie beëindigen.


Simon Bolivar, Miguel Hidalgo, Ben Bella en Lumumba, leiders die onlosmakelijk

 verbonden zijn met de bevrijdingsstrijd van hun respectieve landen. Van meet af

 aan hebben zij zich verzet tegen de buitenlandse overheersing. In alle gevallen

 hebben de imperiale mogendheden zich met alle ten dienst staande middelen verzet

 tegen de bevrijding van de onderworpen gebieden.


1. Noem twee (2) eisen op die Miguel Hidalgo met zijn opstand in 1810 stelde aan de

 Spaanse overheersers.

 De onafhankelijkheid / Afschaffing van de slavernij / Teruggave van land aan de

 inheemsen / Een volksvertegenwoordiging.


2. Geef aan waarom het gewapend verzet van de Algerijnen dat in 1945 begon, een

 voorbeeld was voor de rest van Afrika.

 Het was de eerste keer dat op het Afrikaanse continent met behulp van wapens werd

 geprobeerd de onafhankelijkheid te verkrijgen.


3. Leg uit welke invloed de Pan-Afrikaanse conferentie van 1958 heeft gehad op het

 nationalisme in Kongo?

 De conferentie stimuleerde het nationalisme en het gevolg was de onafhankelijkheid

 van Kongo in 1960.


De Tweede Wereldoorlog zorgde voor een nieuwe impuls in het bewustzijn van de

 gekoloniseerde volkeren. Het militair succes van Japan op Rusland opende de

 ogen van vele onderdrukte volkeren. De mythe van de superioriteit van de “witte

 mens” was onderuit gehaald. De vele revoluties die daarna plaatsvonden in de

 derdewereldlanden waren echter niet uniform en ook niet centraal geleid.


1. Hoe reageerden de imperialistische mogendheden op respectievelijk de

 nationalistische en sociaal- economische revoluties?

 Reactie op de nationalistische revoluties: een soepele houding aangezien er genoeg

 ruimte overbleef voor behartiging van hun eigen belangen.

 Reactie op de sociaal-economische revoluties: een scherpe afwijzing omdat de

 imperiale belangen van de grote mogendheden (kolonisatoren) direct in gevaar

 kwamen.


2. Leg uit waarom de gestelde progressieve doelen van de Indiase revolutie niet werden

 bereikt.

 De doelen werden niet gerealiseerd slechts omdat, het Britse bestuur werd vervangen

 bij de onafhankelijkheid maar er geen verandering optrad in de machtsstructuur.


3. Welke type revoluties vonden plaats in respectievelijk Kenia en Mozambique?

 Kenia: nationalistisch reformistisch / Mozambique: sociaal-economische revolutie


4. Waaruit blijkt dat het vijftig jaar oude Amerikaanse handelsembargo en politieke

 isolatie tegen Cuba zijn beste tijd heeft gehad?

 De Amerikaanse president Barack Obama kondigde in december 2014 een verbeterde

 relatie aan tussen de twee landen. Intussen zijn handelsregels versoepeld alsook

 Cubaanse dissidenten vrijgelaten / Cuba is geschrapt van de lijst van landen die het

 terrorisme steunen / Ontmoeting president Obama en president Castro.


Succes !!

Popular posts from this blog

Wekom !!