Biologie 14
Thema 6 Gaswisseling en uitscheiding
Basisstof 1 Het ademhalingsstelsel van een mens
De neusholte heeft 3 paar plooien (neusschelpen). Op de bovenste neusschelp bevindt zich het reukzintuig. De
neusholte is bekleed met neusslijmvlies. de buitenste laag bestaat uit trilhaarepitheel: hier komen slijm producerende
cellen en trilhaarcellen voor.
Oorzaken inademen door neus is gezonder dan door de mond:
1. Neusharen houden grote stofdeeltjes tegen.
2. Het neusslijmvlies is bekleed met trilhaarepithee
3. Het slijm bevochtigt de binnenstromende lucht.
4. Aan het slijm blijven stofdeeltjes en ziekteverwekkers kleven.
5. Door de beweging van trilharen wordt het slijm naar de keelholte verplaatst
6. Het bloed in de bloedvaten in het neusslijmvlies verwarmt de binnenstromende lucht
7. Het reukzintuig keurt de binnenstromende lucht
De neusholte is door nauwe openingen verbonden met 8 holten in de schedelbeenderen.(bijholten bv, kaakholten,
voorhoofdsholten, wiggebeenholte) zijn bekleed met slijmvlies.
In de neusholte en in de keelholte bevinden zich amandelen: produceren stoffen die ziekteverwekkers doden. Bij
angina zijn de amandelen ontstoken. Als de amandelen zijn opgezwollen, worden ze geknipt.
In de keelholte bevinden zich de huig en het strotklepje. Tussen de keelholte en de luchtpijp bevindt zich het
strottenhoofd. Hierin bevinden zich de stembanden: stevige vliezen die gaan trillen als er lucht langs strijkt ->
ontstaan geluiden.
Luchtpijp:
De binnenwand is bekleed met trilhaarepitheel.
Door hoefijzervormige kraakbeenringen in de wand blijft de luchtopening altijd open staan.
Bronchiën.
De binnenwand is bekleed met trilhaarepitheel.
De wand bevat kraakbeenringen
Bronchiolen:
De wand van de fijne bronchiolen bevat spierweefsel. Hierdoor kunnen deze bronchiolen zich verwijden of vernauwen.
Onder invloed van het orthosympatische deel van het autonome zenuwstelsel en van het hormoon adrenaline de bronchiolen
worden verwijd.
Longblaasjes met longhaarvaten
De binnenkant is bedekt met een laagje vocht
Groot gaswisselingsoppervlak: veel longblaasjes.
Kleine difussieafstand. Dunne wand van longblaasjes en longhaarvaten.
Grootverschil in zuurstof- en koolstofdioxidespanning: o.a. door ventileren van de lucht in de longblaasjes en door stroming van
het bloed in de longhaarvaten.
Zuurstof uit de lucht lost op in het vocht in de longblaasjes; van daaruit vindt difussie plaats naar het bloedplasma in de
longhaarvaten.
CO2 diffundeert in omgekeerde richting en wordt door het vocht in de longblaasjes afgegeven aan de lucht.
Het transport van zuurstof en koolstofdioxide
In de longhaarvaten worden O2 moleculen gebonden aan hemoglobine in rode bloedcellen.
Hemoglobine (Hb)+O2 -> oxyhemoglobine (HbO2)
Door de binding van O2 aan Hb blijft er een verschil bestaan tussen de pO2 in het vocht in de longblaasjes en de Po2 in het
bloedplasma.
Hierdoor blijft zuurstof het bloedplasma in diffunderen en wordt de hemoglobine vrijwel geheel verzadigd met zuurstof.
In de weefsel vindt door het spanningsverschil diffusie van O2 uit de haarvaten plaats.
In de haarvaten laten de O2-moleculen los van de hemoglobine.
In de weefsel vindt door het spanningsverschil diffusie van CO2 naar het bloed in de haarvaten plaats.
- Een deel van dit CO2 wordt door het bloedplasma vervoerd; een ander deel wordt gebonden aan hemoglobine.
In de longhaarvaten vindt door het spanningsverschil diffusie van CO2 plaats naar het vocht in de longblaasjes.
In de longhaarvaten laten de CO2- moleculen los van de hemoglobine.
Als alle hemoglobine is omgezet in oxyhemoglobine noemen we het verzadigd.
Basisstof 2 Longventilatie
De longen liggen in de borstholte. De borstholte is aan de onderkant begrensd door het middenrif: een
koepelvormige, gespierde plaat.
De zijwanden van de buikholte worden gevormd door de ribben en de binnenste en buitenste tussenribspieren. Elke
long is omgeven door 2 vliezen. Het longvlies ligt tegen de longen aan en is ermee vergroeid. Het borstvlies is
vergroeid met de ribben, de binnenste tussenribspieren en het middenrif.
Tussen long en borst vlies bevindt zich een dun laagje vloeistof, geen lucht. Hierdoor kunnen ze niet van elkaar af,
maar wel schuiven.
Door te ademen wordt de lucht in onze longen ververst oftewel ventilatie. Bij ribademhaling (of borstademhaling)
bewegen de ribben en het borstbeen. Bij middenrifademhaling (of buikademhaling) beweegt het middenrif.
Een rustige inademing komt tot stand doordat de buitenste tussenribspieren de ribben en het bortbeen omhoog en
naar voren trekken.
Een rustige uitademing komt passief tot stand. De spieren die een inademing hebben veroorzaakt ontspannen zich.
Bij een diepe inademing kunnen spieren in de hals zich samentrekken. Hierdoor gaan de ribben en het borstbeen nog
verder omhoog en naar voren.
Bij een diepe uitademing kunnen de binnenste tussenribspieren zich samentrekken, waardoor de borstkas met kracht
kleiner wordt.
Basisstof 3 Ademvolume en ademfrequentie.
Ademvolume: het aantal lucht dat een mens per ademhaling wordt in- uitgeademd. Niet al deze lucht bereikt de
longblaasjes. Ongeveer 150 ml lucht komt niet verder dan bronchiën, luchtpijp, keel- of neusholte (de dode ruimte)
Bij een maximale inademing kan gemiddeld 3.1 liter lucht extra worden ingeademd -> inspiratoir reservevolume.
Bij een maximale uitademing kan gemiddeld 1.2 liter lucht extra worden uitgeademd -> expiratoir reservevolume.
er blijft dan gemiddeld nog 1.2 liter lucht in de longen achter -> restvolume.
De hoeveelheid lucht die in een ademhaling kan worden ververst -> vitale capaciteit
De diepte en de snelheid die je ademhaalt, worden aangepast aan de omstandigheden. Dit wordt geregeld door
ademcentrum.
Chemoreceptoren: zintuigcellen die het koolstofdioxide gehalten van het bloed waarnemen.
Bij sommige mensen hebben sterke emoties invloed op de ademfrequentie. Als deze mensen angstig of woedend of
zenuwachtig zijn ademen ze te snel of te diep. Die hebben dan last van hyperventilatie.
Basisstof 4 gezonde longen en luchtwegen.
Door verschillende oorzaken kunnen je longen en luchtwegen minder goed functioneren. De oorzaak kan een ziekte
aan het ademhalingsstelsel zijn -> astma. Of als je schadelijke stoffen hebt ingeademt zonder dat je het wilde. Er zijn
ook mensen die bewust schadelijke stoffen inademen bv. Rokers.
Basisstof 5 De lever
De lever bestaat uit vele zeshoekige leverlobjes deze zijn ongeveer 1 mm doorsnede. Op driehoekpunten van een
leverlobje bevinden zich aftakkingen van de poortader en van de leverslagader. En bevinden zich ook aftakkingen
van de galgang. In het midden van een leverlobje bevindt zich een aftakking van de leverader.
Bloed komt van de hoekpunten terecht in ruimten tussen de levercellen en stroomt dan naar het midden van een
leverlobje.
Gal stroomt van de levercellen naar de hoekpunten van een leverlobje.
In de lever worden dode rode bloedcellen afgebroken. Hierbij ontstaan als afbraakproducten o.a. galkleurstoffen, die
via de galgangen worden afgevoerd naar de galblaas.
Door de opslag van glycogeen vervult de lever een belangrijke rol bij de koolhydraatstofwisseling in het lichaam. De
lever vervult ook functies bij de eiwit- en de vetstofwisseling in het lichaam.
Koolhydraatstofwisseling
Het glucosegehalte van het bloed word constant gehouden onder invloed van insuline en glucagon uit de alvleesklier.
Glucose kan worden omgezet in glycogeen. Glycogeen wordt o.a. in de lever opgeslagen eiwitstofwisseling:
Vorming van niet- essentiële aminozuren uit andere aminozuren
Afbraak van overtollige aminozuren. Hierbij ontstaat o.a. ureum, dat aan het bloed wordt afgegeven.
Vorming van plasma-eiwitten
Vetstofwisseling:
Vorming van niet- essentiële vetzuren(o.a. fibrinogeen en enkele anderen stollingsfactoren).
Vorming en afbraak van cholesterol.
Bij de afbraak worden galzure zouten gevormd
Afbraak van dode rode bloedcellen.
Galkleurstoffen worden met de gal uitgescheiden.
ijzer wordt opgeslagen.
Ontgifting:
Alcohol, drugs medicijnen e.d worden onwerkzaam gemaakt.
Gifstoffen die niet werkzaam kunnen worden gemaakt, kunnen in de lever worden opgeslagen.
Basisstof 6 De nieren en urinewegen.
Door de nierslagaders stroomt zuurstofrijk bloed naar de nieren. Dit bloed bevat overtollige en schadelijke stoffen.
Nieren verwijderen deze stoffen.
Een nier bestaat uit nierschors, niermerg en een nierbekken. De nieren hebben een belangrijke rol bij: uitscheiding
van afvalstoffen, lichaamsvreemde stoffen, overtollig water en zouten. -> urine.
Door Uitscheiding van overtollig water en zouten kan de osmotische waarde van het interne milieu constant houden.
In de nierbekkens wordt urine verzameld. Via de urineleiders wordt de urine afgevoerd naar de urineblaas -> urine
tijdelijk in opgeslagen. Van tijd tot tijd wordt de urine uit de urineblaas afgevoerd via de urinebuis. In de nierschors en
het niermerg liggen per nier ongeveer een miljoen niereenheden(nefron) -> bestaat voor een grote deel uit een
nierbuisje-> wordt urine gevormd. Monden uit in verzamelbuisjes-> komt de urine in de nierbekkens terecht.
Nierbuisje bestaat uit 2 gekronkelde delen en een lus(lis van henle) . aan het begin van een nierkanaaltje bevindt zich
een nierkapseltje(kapsel van bowman). Een aanvoerend nierslagadertje vertakt zich in het nierkapsel tot een kluwen
van haarvaten.-> noemen deze haarvaatkluwen een glomerulus. Het nierkapseltje met de haarvaatkluwen samen
heet een lichaampje van malpighi.
De haarvaten van de glomerulus verenigen zich tot een haarvatennet om het nierbuisje. Daarna tot een nieradertje.
De diameter van de afvoerende nierslagadertjes is kleiner dan de aanvoerende nierslagadertjes. Hierdoor is de
bloeddruk in de haarvaatkluwens zo hoog, dat vanuit de haarvaten voortdurend een deel van het bloedplasma in de
nierkapsels wordt geperst. Hierbij kunnen alleen kleine moleculen door de wand van de nierkapsels heen. ->
ultrafiltratie. Het vocht in de nierkapsels wordt voorurine genoemd.
De cellen van de wand van de nierbuisjes nemen de opgeloste nuttige stoffen op uit de voorurine en geven ze aan het
bloed af. Dit proces vindt plaats doormiddel van actief transport en wordt terugresorptie.