Biologie 13

 Thema 5 Transport

Basisstof 1 De bloedsomloop

De bloedsomloop

Eencellige dieren en dieren die uit enkele cellagen zijn opgebouwd, vindt transport van stoffen plaats over kleine

afstanden. Zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen worden door diffusie voldoende getransporteerd om elke cel te

voorzien. Grotere dieren hebben bloedsomloop. Het hart (de kracht) pompt bloed door bloedvaten.

Behalve het transport van stoffen kan het bloed ook andere functies vervullen:

Het bloed verdeelt de warmte over het gehele lichaam

Het bloed zorgt voor een homogeen en constant intern milieu

Het bloed bevat antistoffen die zorgen voor afweer voor o.a. ziekteverwekkers

Kleine bloedsomloop - De rechterhelft van het hart pompt het bloed naar de longen, vanuit de longen stroomt het

bloed naar de linker harthelft. Grote bloedsomloop - De linkerhelft van het hart pompt het bloed het lichaam door,

vanuit de organen stroomt het bloed terug naar de rechter harthelft. Dubbele bloedsomloop - De mens heeft een

dubbele bloedsomloop, dat

wil zeggen dat per omloop het bloed twee keer door het hart wordt gepompt.

Basisstof 2 Het bloed

Bloedplasma

Water met opgeloste stoffen en plasma-eiwitten (o.a. fibrinogeen).

Functie bloedplasma - Vervoert zuurstof

Voedingsstoffen (o.a. glucose)

Afvalstoffen (o.a. koolstofdioxide)

Regelende stoffen (o.a. hormonen)

Beschermende stoffen (o.a. antistoffen).

Het bloedplasma houdt het interne milieu constant. Veel plasma-eiwitten spelen een rol bij het transport van stoffen,

het handhaven van de osmotische waarde van het bloed en de bloeddruk. Fibrinogeen speelt een rol bij de

bloedstolling.

Fysiologische zoutoplossing - Een oplossing met de juiste osmotische waarde.

Rode Bloedcellen

Kleine ronde schijfjes, zijn in het midden dunner dan aan de rand. Het zijn cellen zonder een

Celkern en hebben daardoor maar een korte levensduur.

Functie rode bloedcellen - Het transport van zuurstof en koolstofdioxide.

Aanmaak - In de stamcellen van het rode beenmerg, onder

invloed van het hormoon EPO dat komt vanuit de nieren.

Afbraak - In het rode beenmerg in de lever en milt.


Hemoglobine geeft een rode kleur aan het bloed, en zorgt er voor dat zuurstof en koolstofdioxide makkelijk kan

binden. Iemand met bloedarmoede heeft een tekort aan hemoglobine.

Witte bloedcellen

Hebben geen vaste vorm, en zijn instaat om door de want van de haarvaten te verplaatsen. Deze cellen hebben wel

een celkern.

Functie witte bloedcellen - Vernietigen van ziekteverwekkers door fagocytose en opruimen van dode celresten.

Functie lymfocyten - Vorming van antistoffen.

Aanmaak - In het rode beenmerg uit stamcellen. En in lymfeknopen en in de milt.

Bloedplaatjes

Zijn deeltje die geen kern bezitten, het zijn meer deeltjes van uitgevallen cellen.

Functie bloedplaatjes - Zorgen voor bloedstolling

Aanmaak - In het rode beenmerg, hele lichaam

Bloedstolling - Bloedplaatjes kleven aan de beschadigde bloedvatwand en vormen een bloedpropje. Uit het

beschadigde weefsel en uit de bloedplaatjes komen stoffen vrij. Deze stoffen brengen met behulp van

stollingsfactoren in het bloedplasma (o.a. calciumionen) een keten van reacties op gang. Dit leidt ertoe dat

fibrinogeen wordt omgezet in fibrine. En het wondje dus kan stollen.

In het kort:

Rode bloedcellen:

Geen celkern;

Plaats van vorming: rode beenmerg;

5 x 109 per ml bloed;

Transport van zuurstof.

Witte bloedcellen:

Wel een celkern;

Plaats van vorming: rode beenmerg;

5 x 106 per ml bloed;

Bescherming tegen ziekteverwekkers.

Bloedplaatjes:

Geen celkern;

Plaats van vorming: hele lichaam, rode beenmerg;

5 x 108 per ml bloed;

Bloedstolling.

Basisstof 3 Het hart

Het hart bevindt zich in de borstkas, iets links onder het borstbeen. Het hart is ongeveer even groot als een vuist.

Alle blauwe delen bevatten zuurstof arm bloed.

Alle rode delen bevatten zuurstof rijk bloed.

In het hart bevinden zich de volgende delen:

1. Aorta

2. Bovenste holle ader

3. Rechter boezem

4. Onderste holle ader

5. Rechterkamer

6. Longslagader

7. Longader

8. Linkerboezem

9. Halve maanvormige kleppen

10. Hartkleppen

11. Linkerkamer

12. Harttussenwand

Over het algemeen bevind zich in de aders zuurstof arm bloed en in de slagaders zuurstof rijk bloed. Er is echter één

uitzondering en dat is de longslagader, deze bevat zuurstof arm bloed, dit omdat deze slagader eerst naar de longen

gaat om zuurstof te halen.

Rechterboezem

Ontvangt zuurstofarm bloed uit de onderste en bovenste holle ader en voert dit door naar de rechter kamer.

Weinig gespierde wand.

Rechterkamer

Pompt zuurstofarm bloed in de longslagader(s)

Gespierde wand.

Linkerboezem

Ontvangt zuurstof rijk bloed uit de longaders en voert dit door naar de linker kamer.

Weinig gespierde wand.

Linkerkamer

Pompt zuurstof rijk bloed in de aorta. En zo dus door het hele lichaam.

Zeer gespierde wand

Harttussenwand

Scheidt de linker- en rechter harthelft

Hartkleppen

Verhinderen het terugstromen van het bloed van kamers naar de boezems

Halvemaanvormige kleppen

Verhinderen het terugstromen van bloed van longslagader(s) en aorta.

Ook wel slagaderkleppen genoemd.

Kransslagader

Hierdoor stroomt zuurstofrijk bloed naar de hartspier.

Kransaders

Hierdoor stroomt zuurstof arm bloed weg uit de hartspier.

Werking van het hart

De werking van het hart zijn in drie fase te onderscheiden die elkaar steeds opvolgen. De hartslag begint

1. Systole van de boezems De sinusknoop in de wand van de rechterboezem geeft impulsen af. Spieren in de wand

van de boezems trekken zich samen. In de kamers vindt diastole plaats. Bloed stroomt van de boezems naar de

kamers. De hartkleppen zij open, de halvemaanvormige kleppen dicht.

2. Systole van de kamers - Spieren in de wand van de kamers trekken zich samen, in de boezems vindt diastole

plaats. Bloed stroomt van de kamers naar de longslagader en de aorta. De hartkleppen zijn dicht, de

halvemaanvormige kleppen open. Papillairspieren trekken zich samen en verhinderen dat de hartkleppen doorslaan.

3. Hartpauze - Zowel in de boezems als in de kamers vindt diastole plaats. Bloed stroomt van de holle aders en

longaders naar de boezems en kamers. De hartkleppen zijn open, de halvemaanvormige kleppen dicht.

Systole - Samentrekkingen van hartspierweefsel.

Diastole - Ontspanning van hartspierweefsel.

Het hartritme

Het hartritme wordt bepaald door de snelheid waarmee de sinusknoop impulsen afgeeft.

Het hartritme wordt beïnvloed door:

De bloeddruk (wanneer de bloeddruk s

Hormonen (o.a. adrenaline)

Emoties

Het hartritme is afhankelijk van:

De lichaamsgrootte

Het slagvolume

De hoeveelheid bloed die per hartslag door de linkerkamer in de aorta wordt gepompt.

Het slagvolume is afhankelijk van: - De hoeveelheid bloed die vanuit de holle aders de rechterboezem in stroomt.

De linkerkamer pompt per hartslag ongeveer evenveel bloed weg als de rechterkamer.

Basisstof 4 De bloedvaten

De bloedvaten

Slagaders en gewone aders verschillen in sommige opzichten van elkaar. Behalve dat een slagader zuurstof rijk bloed

vervoert en een ader zuurstof arm bloed vervoert.

Slagaders

Bloed stroomt van het hart weg;

Bloeddruk is hoog;

Wand is dik, stevig en elastisch;

Bloedstroom is stootsgewijs (kloppend);

Liggen meestal diep in het lichaam;

Kleppen zijn alleen halvemaanvormige kleppen (aan het begin);

Hebben meestal de naam van het orgaan waar ze naartoe lopen.

- VB: longslagader loopt naar de longen toe.

Aders

Bloed stroomt naar het hart toe;

Bloeddruk is laag;

Wand is dun en weinig elastisch;

Bloedstroom is regelmatig;

Liggen meestal ondiep in het lichaam;

Kleppen zijn aanwezig, vooral in de armen en benen;

Hebben meestal de naam van het orgaan waar ze vandaan komen.

- VB: longader loopt van de longen af.

Haarvaten

Hebben een wand van één cellaag dik, vocht met daarin opgeloste stoffen en witte bloedcellen kunnen door de wand

heen de haarvaten verlaten.

Basisstof 5 De bloeddruk

De bloeddruk

De belangrijkste oorzaak van de bloeddruk is het samentrekken van de hartkamers, vooral van de linkerkamer. De

bloeddruk in de slagaders is hoger dan de bloeddruk in de aders.

De bloeddruk is het hoogst in de linkerkamer en de aorta tijdens het samen trekken van de kamers.

In de slagaders gaat de bloeddruk sterk op en neer als gevolg van de hartslag. In de aders is de bloeddruk vaak te

laag om de bloedstroom op gang te houden. In de aders helpen andere krachten mee de bloedsomloop op gang te

houden:

De stootsgewijze druk van de slagaders die naast de aders liggen.

De samentrekking van skeletspieren.

De vertakkingen van slagaders kunnen zich vernauwen of verwijden. Hierdoor kan de hoeveelheid bloed worden

geregeld die door een bepaald weefsel stroomt.

Als de slagaders naar een skeletspier zich verwijden, stijgt de stroomsnelheid van het bloed dat door die skeletspier

stroomt.

Regeling van de bloeddruk

De bloeddruk wordt min of meer constant gehouden door aanpassingen van het hartritme (negatieve

terugkoppeling):

Als de bloeddruk daalt onder de normwaarde, zorgt de hersenstam ervoor dat het hartritme stijgt, hierdoor stijgt de bloeddruk

Als de bloeddruk stijgt boven de normwaarde, zorgt de hersenstam ervoor dat het hartritme daalt, hierdoor daalt de bloeddruk

De bloeddruk kan verhoogd zijn doordat aan de binnenwand van bloedvaten cholesterol is afgezet (atherosclerose,

(slag)aders worden nauwer en minder elastisch).

Meten van de bloeddruk

Het meten van de bloeddruk wordt gedaan door een arts het gaat als volgt:

1. De arts pompt een manchet om de arm op, tot de armslagader geheel is dichtgedrukt

2. De arts laat lucht uit de manchet ontsnappen, tot de druk in de manchet gelijk is aan de hoogste druk in de armslagader (de

bovendruk)

3. De arts hoort vaatgeruis, doordat na elke samentrekking van de hartkamers de armslagader heel even wordt open gedrukt en

een klein beetje bloed doorlaat

4. De arts laat lucht uit de manchet ontsnappen, tot de druk in de manchet gelijk is aan de laagste druk in de armslagader

(onderdruk)

5. De arts hoort geen vaatgeruis meer, doordat het bloed weer onafgebroken door de armslagader stroomt

De stroomsnelheid van het bloed is het grootst in de aorta en het laagst in de haarvaten.

Cholesterol

Aan de binnenwand van de bloedvaten kan cholesterol worden afgezet, de bloedvaten worden nauwer. In een later

stadium kan ook kalk worden afgezet, waardoor de wanden van de slagaders stijver en minder elastisch worden

(atherosclerose). Door het nauwer worden van de bloedvaten stijgt de bloeddruk. Het hart moet een grotere kracht

leveren om het bloed door de vernauwde bloedvaten te pompen.

Een sterk verkalkte bloedwand kan gemakkelijk kapot gaan. Er ontstaat een inwendige bloeding (in hersenen:

hersenbloeding of beroerte). Er kunnen bloedstolsels ontstaan.

Hart- en vaatziekten

Trombose - Als door een bloedstolsel een bloedvat verstopt raakt.

Hartinfarct - Als een of meer vertakkingen van een kransslagader verstop raken en een deel van de hartspier geen

zuurstof en voedingsstoffen meer krijgt en afsterft.

Oplossingen

De beste oplossing tegen hart- en vaatziekten is verkomen dat je ze krijgt. Dit kun je het beste doen door gezond te

leven bijvoorbeeld, niet roken, en genoeg lichaamsbeweging.

Als het nou toch allemaal niet zo goed loopt zijn er ook nog operaties die een uitkomst kunnen bieden:

Bypassoperatie - Een stukje bloedvat (uit been) wordt als een omweg aangelegd om het vernauwde deel van de

kransslagader.

Dotteren - De vernauwing in de kransslagader wordt opgerekt met een soort ballonnetje, via een sneetje in de lies

kan de arts via een bloedvat een buisje naar het hart van de patiënt schuiven.

Basisstof 6 Weefselvloeistof en lymfe

Weefselvloeistof

Weefselvloeistof ontstaat doordat aan het begin van de haarvaten vocht uittreedt.

Plasma-eiwitten met relatief grote moleculen kunnen de haarvaten niet verlaten. Hierdoor ontstaat een verschil in

osmotische waarde tussen de weefselvloeistof en het bloedplasma.

Weefselvloeistof bevat o.a. zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen, hormonen en plasmaeiwitten met kleine moleculen. Weefselvloeistof kan witten bloedcellen bevatten.

Functie weefselvloeistof

Zuurstof en voedingsstoffen naar de cellen toevoeren en koolstofdioxide en andere afvalstoffen van de cellen wegvoeren.

Een deel van de weefselvloeistof keert aan het eind van de haarvaten terug in het bloed.

Een deel van de weefselvloeistof keert aan het eind van de haarvaten terug in het bloed.

Aan het begin van de haarvaten is de bloeddruk zo hoog dat vocht de haarvaten verlaat.

Aan het eind van de haarvaten is de bloeddruk sterk gedaald. Door het verschil in osmotische waarde tussen weefselvloeistof en

bloedplasma wordt er weer vocht in de haarvaten opgenomen.

Lymfe

Een deel van de weefselvloeistof wordt opgenomen in fijne lymfevaten.

Lymfevaten verenigen zich tot grotere lymfevaten. In de lymfevaten komen kleppen voor.

Het lymfevatenstelsel voert de lymfe weer terug naar het bloedvatenstelsel.

Lymfeknopen (lymfeklieren) zuiveren de lymfe van o.a. ziekteverwekkers.


Popular posts from this blog

Wekom !!