Biologie 12
Thema 4 Voeding en vertering
Basisstof 1 Voedingsmiddelen en voedingstoffen
Voedingsmiddel = alles wat je eet of drinkt
Voedingsstof = de bruikbare bestandsdelen van een voedingsmiddel
Voedingsvezel = een verzameling stoffen die niet door de enzymen ui het verteringsstelsel kunnen worden verteerd.
Ballaststoffen = voedingsvezels
Voedingsvezel houdt de darmbeweging en de stoelgang in orde.
Een voedingsmiddel heeft een hoge voedingswaarde als er veel verschillende voedingsstoffen in zitten.
Belangrijkste voedingstoffen in groepen:
Eiwitten
Koolhydraten
Vetten
Water
Mineralen
Vitamines
Je eten moet veel van deze voedingstoffen bevatten om gezond te blijven. Je eten moet:
gevarieerd zijn
hoeveelheid moet voldoende zijn
goed verwerkbaar zijn
Bouwstoffen worden in je lichaam gebruikt bij de vorming van cellen en weefsels.
Brandstoffen worden gedissimileerd om energie te leveren. Ze zijn nodig voor het verrichten van arbeid
Eiwitten (proteïnen)
Eiwitmoleculen zijn opgebouwd uit een groot aantal aan elkaar gekoppelde aminozuren. Mensen hebben 20
aminozuren, waarvan een paar ingenomen moeten worden, omdat ze niet te maken zijn door de mens zelf.
Eiwitten zijn belangrijke bouwstoffen en sommige eiwitten zorgen voor het transport van dingen in het bloed.
Eiwitten worden niet in je bloed opgeslagen.
Koolhydraten
Koolhydraten worden ingedeeld in monosachariden (fructose), disachariden (lactose, sacharose) en polysachariden
(zetmeel).
Koolhydraten zijn brandstoffen, maar soms zijn het ook bouwstoffen.
Vetten (lipiden)
Vetten zijn opgebouwd uit 1 glycerol en 3 vetzuren moleculen.
Een verzadigd vetzuur bevat het maximale aantal waterstofatomen en heeft een rechte vorm.
Een onverzadigd vetzuur bevat niet het maximale aantal waterstofatomen en de vorm is niet recht.
Dierlijke vetten bevatten vaak ook nog cholesterol. Cholesterol is een vetachtige die onder andere in je bloed
voorkomt.
Vetten dienen als brandstoffen.
Water
Alle organismen bestaan voor het grote deel uit water. Het is dan ook een belangrijke bouwstof.
oplosmiddel
transportmiddel
Mineralen (zouten)
Mineralen zijn zouten en bouwstoffen die je nodig hebt om je lichaam gezond te houden. Mineralen zijn altijd
anorganisch. Hier wat tekorten en hun ziektes.
IJzer --> bloedarmoede
Kalk --> slap geraamte/osteoporose
Jodium --> schildklierproblemen
Kalium --> zenuwstelselproblemen
Vitamines
Organische stoffen die zorgen dat je lichaam gezond blijft.
Niet alle vitamines kun je zelf aan maken, die zal je moeten in nemen met je maaltijden.
Vitamines worden met een letter aangegeven.
kleine hoeveelheden
hypovitaminose (gebrek aan een bepaalde vitamine)
hupervitaminose (overschot aan bepaald vitamine
Basisstof 3 Gezonde voeding
De basis van een gezonde voeding is variatie. Ook moet het op een goede manier bewaard en bereid worden. Er
mogen ook niet teveel additieven (toegevoegde stoffen) in je eten voorkomen.
Behalve de variatie is de hoeveelheid ook belangrijk. De hoeveelheid is afhankelijk van het geslacht, de leeftijd en het
lichaamsgewicht. Bij activiteit ook de lichamelijke inspanning.
Als je teveel eet wordt je te dik en te zwaar. In je lichaam is dan teveel vet opgeslagen, vooral in het onderhuidse
bindweefsel en rondom de organen.
Om dan opeens minder te gaan eten is niet al te verstandig, je moet zorgen dat je genoeg voedingsstoffen
binnenkrijgt.
Het beste is om dit te doen via een vermageringsdieet.
Het conserveren van voedsel
Door het conserveren van voedsel worden omstandigheden voor micro-organismen ongunstig gemaakt.
Manieren van conserveren:
Invriezen (temperatuur heel laag maken, micro-organismen niet actief)
Pasteuriseren (door te verhitten (72 gr.), worden de bacteriën gedood)
Steriliseren (erg verhit en meteen verpakt. 130 tot 140 gr.)
Vacuüm verpakken
Additieven (toegevoegde stoffen)
Antioxidanten = bepaalde onnatuurlijke stoffen die worden toegevoegd aan voedingsmiddelen die ervoor moeten
zorgen dat het ranzig worden wordt tegengegaan
Emulgatoren = worden aan bepaalde voedingsmiddelen toegevoegd om ze in de juiste toestand te houden.
Kleurstoffen = worden aan voedingsmiddelen toegevoegd om ze aantrekkelijker te maken.
LD50 = hoe lager de LD50, des te gevaarlijker de stof.
ADI = aantal wat je per dag kan innemen zonder gevaar te lopen.
Basisstof 4Het verteringsstelsel van de mens
De bedoeling van vertering = zorgen dat de moleculen zo klein worden dat ze in je bloed kunnen.
Mondholte.
Speekselklieren produceren speeksel.
Gebit: door kauwen wordt het oppervlak van het voedsel vergroot, zodat de verteringssappen beter op het voedsel kunnen
inwerken (mechanische bewerking).
Keelholte.
Slikreflex: de huig sluit de neusholte af en het strotklepje sluit de luchtpijp af.
Slokdarm.
Tussen slokdarm en maag bevindt zich een kringspier.
Maag.
Functie: tijdelijke opslagplaats van voedsel.
Maagsapklieren produceren maagsap.
Maagportier: kringspier tussen maag en twaalfvingerige darm.
Bij een lage pH in de twaalfvingerige darm is de kringspier samengetrokken.
Bij een licht basische pH in de twaalfvingerige darm is de kringspier ontspannen.
Lever.
Functie: produceert gal.
Gal wordt tijdelijk opgeslagen in de galblaas en afgevoerd via de galbuis.
Alvleesklier.
Functie: produceert alvleessap.
Twaalfvingerige darm (eerste deel van de dunne darm).
Functie: gal en alvleessap vermengen met de voedselbrij.
Dunne darm.
Darmsapklieren produceren darmsap.
Darmwand: groot oppervlak door darmplooien, darmvlokken en microvilli (uitstulpingen van darmepitheelcellen).
Darmepitheel: de buitenste laag cellen van de darmvlokken. Functie: resorptie van water, voedingsstof en en
verteringsproducten.
Blindedarm met appendix (wormvormig aanhangsel): rudimentair orgaan.
Bij blindedarmontsteking is de appendix ontstoken.
Dikke darm.
Functie: resorptie van water, mineralen, glucose en vitamine K.
Bij diarree wordt niet voldoende water uit de brij van onverteerde voedselresten geresorbeerd.
Bacteriën verteren cellulose in de celwanden van plantaardige voedselresten. Hierbij ontstaat glucose.
Bacteriën produceren o.a.vitamine K.
Endeldarm met anus.
Functie: verzamelen en tijdelijk opslaan van onverteerde voedselresten (ontlasting of aeces).
Anus: kringspier die de endeldarm afsluit.
Van de slokdarm tot aan de endeldarm vinden peristaltische bewegingen plaats (darmperistaltiek).
Kringspieren en lengtespieren in de wand van het darmkanaal trekken zich afwisselend samen.
Functie: de voedselbrij voortduwen, kneden en mengen met verteringssappen.
Functies en kenmerken van verteringssappen
Speeksel: bevat slijm en amylase.
Slijm: maakt het voedsel glad, waardoor het inslikken gemakkelijker gaat
Amylase: verteert zetmeel tot maltose.
De speekselproductie wordt geregeld door het autonome zenuwstelsel.
Maagsap: bevat zoutzuur, slijm en pepsinogeen (een inactief pro-enzym).
Zoutzuur (HCl): zorgt voor een sterk zuur milieu waardoor bacteriën in het voedsel worden gedood.
Slijm: beschermt de maagwand tegen het maagsap.
Pepsinogeen wordt in de maag geactiveerd tot pepsine,onder invloed van zoutzuur en pepsine (positieve terugkoppeling).
Pepsine (peptase): verteert eiwitten tot lange polypeptiden (vrij lange aminozuurketens).
Gal: bevat galkleurstoffen en galzure zouten.
Galkleurstoffen: afbraakproducten van dode rode bloedcellen.
Galzure zouten: emulgeren vetten, waardoor het oppervlak van de vetdruppels wordt vergroot.
De galblaas geeft gal af als de pH in de twaalfvingerige darm laag is.
Alvleessap: de alvleesklier geeft alvleessap af als de pH in de twaalfvingerige darm laag is.
Bevat een basische stof die de pH in de twaalfvingerige darm doet stijgen (pH 8 à 9).
Amylase: verteert zetmeel tot maltose.
Trypsine (tryptase): verteert lange polypeptiden tot kortere polypeptiden.
Peptidasen: verteren polypeptiden tot di- en tripeptiden.
Lipase: verteert vetten tot glycerol en vetzuren. Door de vrijgekomen vetzuren daalt de pH van de voedselbrij.
Darmsap: bevat enzymen die de vertering van eiwitten en koolhydraten voltooien.
Maltase verteert maltose tot glucose.
Sacharase verteert sacharose tot glucose en fructose.
Lactase verteert lactose tot glucose en galactose.
Peptidasen verteren di-en tripeptiden tot afzonderlijke aminozuren.
Zie samengevat bladzijde 112 en 113
Basisstof 5
Even doorlezen in het boek.
Veel staat de in de Biodata/Binas en hoeft dus niet te worden onthouden.
Basisstof 6
Kijk in het boek voor een overzicht van de darmen.
Resorptie= het opnemen van stoffen door de darmepitheelcellen. (ACTIEF)
Het kan door het hele darmkanaal plaats vinden, maar het gebeurt vooral in de dunne darm.
Resorptie = water opnemen in de blinde, dikke en endeldarm (PASSIEF)
Resorptie: het opnemen van stof en door darmepitheelcellen.
Resorptie kan plaatsvinden in het hele darmkanaal.
In de dunne darm vindt door het grote oppervlak de meeste resorptie plaats.
Resorptie is een actief proces.Dat blijkt o.a. uit:
er kunnen stoffen worden geresorbeerd tegen het concentratieverval in;
stof en worden selectief geresorbeerd;
bij resorptie vindt in de darmepitheelcellen een intensieve dissimilatie plaats;
door dood darmepitheel kunnen geen stoffen worden geresorbeerd.
In de darmepitheelcellen worden vetten gevormd uit glycerol en vetzuren.
Hierna vindt opname plaats in bloed of lymfe
Aminozuren, monosacchariden (o.a.glucose), vetten met kleine vetzuren, water, mineralen en vitamines worden opgenomen in
het bloed.
Vetten met grote vetzuren worden opgenomen in de lymfe.
Het bloed uit de haarvaten van een groot deel van het darmkanaal (van de maag tot aan de dikke darm) stroomt door de
poortader naar de lever.